Edwin Vennik binnenvaart

Schippersfamilie Vennik

 

Schipperskinderen worden, doordat ze jong niet bij hun ouders zijn, vroeg zelfstandig. Dat geldt ook voor Edwin. Als twaalfjarige gaat hij naar Rotterdam met de trein. Hij ziet een donkere man met een gettoblaster hij vindt dat bijzonder: in Zwolle kom je ze niet dagelijks tegen. Toch kijkt hij hem niet aan want dan is er geen contact en komt er ook geen ruzie van.

 

Hun ouders waren naar de kinderen open over de financiële kant van hun zaak. Toen eens alles onder water stond, gingen ze niet op vakantie. Toch organiseerden ze een week, waarin ze niet voeren zodat de jongens met andere schipperskinderen konden spelen. Een ijsje halen is dan al een traktatie, amarena-kers was Edwins favoriet. Hij had geen hooggespannen verwachtingen en alles wat extra was, was meegenomen. Zo kon hij toch genieten van de zomervakantieweek.

 

Het leven op een schip is anders dan op de wal. Wonen en werken waren erg met elkaar verbonden. De ouders stonden bij toerbeurt aan het roer en zo konden ze dagen van zestien uur maken: elke gevaren kilometer leverde tenslotte geld op.

Ook woonde het gezin op het schip, er was de roef, dat is een combinatie van woonkamer en keuken. Verder waren er een badkamer, toilet en slaapkamers. Overal werd zuinig omgesprongen met de ruimte. Een slaapkamer was niet groter dan het bed en een smal looppad. Als er ruimte tussen de kamermuur en de wand van het schip was, kon die benut worden als bergruimte.

De weersverwachting werd goed in de gaten gehouden. Als er storm op komst was, moest er van alles vastgezet worden en luiken voor de ramen bij zijwind. In de roef ging het rolgordijn dan naar beneden, om de ruiten tegen de plantjes te beschermen. De plantjes stonden niet in de vensterbank, maar ze hingen. Het water kwam uit een tank van 3000 liter, daar moest je dus zuinig mee zijn. Als Edwin ging douchen riep zijn moeder al:  “Niet te lang douchen, want de sla moet ook gewassen worden.”  Als we om half een bij de sluis lagen, konden we snel eten. Ook nu nog zegt Edwins moeder als we snel eten: “We liggen niet aan de sluis!”

 

Tegenwoordig is veel vervoer per container, maar vroeger vervoerden ze vaak losse lading. Graan of kunstmest werd in het ruim gestort en cacaobonen of koffiebonen zaten in zakken van 25 kg elk. Die zakken werden door mannen op hun plaats gelegd, allemaal vaklui. Over dat beladen heeft Edwin nog een anekdote. Zijn vader ging op voor zijn radarpatent en moest examen doen. Dat diploma was nodig om verzekerd te zijn als hij op radar moest varen. Edwin was een jaar of vijftien en was van Zwolle naar Amsterdam gereisd om zijn moeder te helpen. Het was hondenweer, dus was hij niet buiten om toe te zien op het beladen, maar er moest wel wat lading naar achter. Zijn moeder liep al te mopperen dat hij niet buiten was: “Je vader is altijd buiten bij het beladen.” “Geef me even 25 gulden” zei Edwin tegen haar. Toen ging hij naar de kraanmachinist en gaf hem het fooitje: “Breng even wat lading naar achter als je wilt.” Voor zo’n actie was zijn moeder te zuinig, maar Edwin zag wel dat je met een beetje geld de zaak soepel kon oplossen, het was een goede investering.

 

Als je op het schip bent hoor je de motor voortdurend draaien. Voor Edwin is dat een heerlijk vertrouwd geluid. Als jochie viel hij makkelijk in slaap, maar als om elf uur de motor vol achteruit ging, om aan te meren, schrok hij wakker en wist dat het tijd was om aan te meren. Als het schip stilligt is er het kabbelen van het water het geluid van de wind. Edwin kan overal slapen zelfs als er veel lawaai is.

 

Ze leerden al jong zwemmen want veiligheid is belangrijk. Ze hadden altijd een zwemvest aan als ze naar buiten gingen, net zo een als in een vliegtuig gebruikt wordt. Een zwemvest dat zich vult met lucht als het met water in aanraking komt. Nu zijn dat voorschriften, maar vroeger namen mijn vader en moeder geen risico.

 

In het internaat sliepen de kinderen tot ze twaalf jaar waren met vier of zes jongens in een kamer. Er waren twee of drie stapelbedden, ieder had een eigen kast, het was wel huiselijker dan in militaire dienst: het meubilair was van hout en niet van staal. Het was allemaal niet groot, maar dat waren ze op het schip ook niet gewend. Er was een corveelijst: afwassen, afruimen en tafeldekken. Ook moesten ze de eigen slaapkamer opgeruimd houden en hun eigen bed opmaken. De groepsleiding deed de schoonmaak. Als ze een weekend niet naar het schip konden bleven ze op het internaat en dan was er ook groepsleiding.

 

Buiten leerde Edwin wat we schoolpleinwijsheid zullen noemen. Kennis en ervaring die je opdoet op straat of op het schoolplein. Edwin kreeg bijles na schooltijd en liep dus alleen naar het internaat. Zo kreeg hij een keer een conflict met een Turkse jongen, die heeft hij toen een hengst verkocht en in een mum van tijd had hij een groepje Turken achter zich aan. Dat was hard rennen! De volgende keer je dus niet laten uitdagen of bemoeien met anderen. Kwam hij na de bijles aan bij het internaat, dan was iedereen al met elkaar aan het spelen, zo moest hij snel zien, bij wie hij kon aansluiten. Niet bij de voetballers die met vijf tegen vijf aan het spelen waren, maar wel bij het knikkeren of bij het groepje dat met fietsen elkaar aan het klemrijden was.

 

Edwin heeft op twee internaten gezeten. Aan de Klooienberglaan was hij tot de tweede klas van het voortgezet onderwijs. Daarna verhuisde hij naar het internaat aan de Botlek dat is er nu niet meer. Daar wilde hij ook een kamer alleen net als de havoklanten en dat is hem gelukt. Het was wel een leuke periode met veertien- tot achttienjarigen. Het internaat was prima voor hem. Op de lts koos hij bewust voor autotechniek na de eerste twee algemene jaren. Er waren vier specialisaties namelijk: hout, schilderen, metaal en elektriciteit. Autotechniek is breed want daarin zitten alle specialisaties behalve hout. Omdat het breder is vond Edwin het aantrekkelijk. Hij wilde eigenlijk naar Driebergen want daar was een particuliere opleiding tot autoverkoper, maar dat was te duur. Hij wilde geen automonteur worden, want hij had wel gezien, dat oude monteurs afgekeurde ruggen hebben en dat wilde hij niet. Hij kwam regelmatig te laat, tussen de middag was de tijd was te krap voor het heen en weer gaan naar het internaat, maar dat deed hij toch en de leraren pikten het. Na de lts is hij naar de Streekschool Horeca gegaan en daar leerde hij koken en bediening en daarover lees je meer in het volgende hoofdstuk.

 

‘Ik verwacht niet te veel in het leven, dan zijn er ook geen grote teleurstellingen.’ Edwin Vennik.